Anke werkte voorheen in de kinderopvang en is daarom behalve leesconsulente dBos ook onze specialis

zondag 19 februari 2017

Nascholing Open Boek: de kracht van theaterlezen

Met een mop. Zo begon Elseline Knuttel het liefst een ontspannen gesprek met moeilijke lezers toen ze nog in de bibliotheek werkte. 'Dan vroegen ze om moppenboeken. Die kregen ze natuurlijk wel, maar dan moesten ze eerst zelf een goede mop vertellen.' En bij die moppen ligt zo'n beetje de bron van het theaterleesspecialisme dat ze later ontwikkelde tijdens haar Master SEN-opleiding. Moppen zijn korte afgeronde teksten met verschillende karakters, vaak met ongeveer gelijke beurtname, en bevatten een gezonde dosis humor. En precies dat werkt voor bijna alle kinderen, maar zeker voor de zwakkere lezers, motiverend. Als je dit soort teksten als theatertekst leest, biedt dat de mogelijkheid om ze herhaald te lezen wat leidt tot vloeiender lezen en beter leesbegrip. 

Bij theaterlezen heeft herhaald lezen niet alleen een duidelijk doel (een leesvoorstelling), maar ook plezierige bij-effecten (leesplezier en beter lezen). Knuttel vertelt hierover voor een volle zaal met leescoördinatoren tijdens een nascholingsbijeenkomst Open Boek. 


De voordelen van theaterlezen zijn interessant:   

  • De kracht zit hem in het herhaald lezen. Je herhaalt het lezen niet omdat je zwak bent en nog een keer moet oefenen, maar omdat je straks samen met de anderen een leesvoorstelling hebt. Daar zitten ook sterke lezers bij die net zo goed herhaald de tekst lezen en instructie en/of feedback krijgen. 
  • Wie herhaald leest, leest de tweede, derde of vierde keer altijd beter dan de eerste keer. Het lezen wordt steeds vloeiender. Check maar eens bij jezelf. Als je de tekst kent, weet je beter waar je moet versnellen of vertragen, je volume moet aanpassen of een stilte moet laten vallen voor het optimale effect. Het bevordert het vloeiend lezen. 
  • Vloeiend lezen en leesbegrip gaan hand in hand. Het is zelfs een beetje een kip en ei-verhaal: wie vloeiend leest begrijpt beter waar de tekst over gaat, wie de tekst goed begrijpt, is in staat vloeiender te lezen. 'Een lezer leest vloeiend als hij snel en accuraat, met expressie én begrip leest. (...) De manier waarop een leerling een tekst hardop voorleest, is een indicatie voor het leesbegrip.' (Van de Mortel en Ballering, 2014, Verdiepend lezen, p. 27).  
  • Theaterlezen nodigt ook uit tot instructie over bij voorbeeld aandacht voor de interpunctie of frasering (melodisch, temporeel en dynamisch accent). Minilessen lenen zich er als werkvorm goed voor. Omdat expressief lezen en leesbegrip gelijk opgaan is het naast leuk ook nuttig om hier aandacht aan te besteden.
  • Theaterlezen biedt mogelijkheden voor heel gerichte feedback waarbij je precies benoemt wat de leerling goed deed. 'Goed gedaan' is erg abstract (Wat heb ik dan precies goed gedaan?). Benoem wat je wilt zeggen: 'Dit klonk erg spannend, door dat je je stem wat zachter/zwaarder/banger liet klinken.' Tips voor verbetering kun je brengen als regieaanwijzingen: 'Klinkt dat boos genoeg? Als je er een boos gezicht bij trekt, dan klinkt het ook meteen bozer. Eén van de aanwezige leerkrachten onderschrijft dit: 'Ik neem het wel eens op en dan luisteren we samen terug. Net als in het filmpje ontdekte mijn leerling zelf dat hij de eerste keer saai las en de vijfde keer niet meer.' 
  • Maar bovenal zorgt het vooral voor plezier en succeservaringen voor betere en zwakkere lezers. 

Je kunt theaterlezen op verschillende manieren toepassen, zodat variatie gewaarborgd blijft. 

  • 'Ik zet het vooral in om het leesplezier weer terug te krijgen bij sommige leerlingen. En dat werkt,' aldus een leerkracht die zag dat het leesplezier een zetje nodig had. 
  • Die zelfde leerkracht ziet deze vorm van samen lezen ook als werkvorm die zij in kan zetten naast of in plaats van Ralfi-lezen: 'De instructies die je bij Ralfi-lezen geeft kun je ook op theaterlezen toepassen. En variatie van soorten teksten en/of werkvormen is altijd stimulerend.' 
  • Ook komen de mogelijkheden om hiermee het thuis lezen te stimuleren ter sprake: theaterteksten meegeven om samen met ouders te oefenen. Dat is natuurlijk leuker dan het oefenen van de beruchte rijtjes. Bovendien kunnen ze hiermee soms net iets boven hun niveau uitstijgen door moeilijkere woorden die in de tekst voorkomen herhaald te oefenen. Van lezen wat je al kunt word je niet direct beter, van lezen wat je nog net niet kunt wel.   
  • Het kan een aantrekkelijke manier zijn om de zomerleesdip van groep 3 naar 4 te voorkomen: in de vakantie dagelijks 10 minuten met het hele gezin de tekst oefenen. Na een week (vijf dagen) oefenen wordt er een nieuwe tekst gekozen. Leesvoorstelling niet vergeten! 
  • Geef een miniles technisch lezen voor de hele groep of een instructiegroepje waarbij er gerichte ondersteuning is over een bepaald aspect dat je wilt belichten. Leent zich goed voor expressief (= voortgezet technisch) lezen. Verdeel de klas in hetzelfde aantal groepen als er rollen zijn en laat de groep samen de tekst van een bepaalde rol uitspreken.  
  • Per groepje kun je een hoofdstuk van een heel theaterboek laten voorbereiden en zo het hele boek uitlezen waarbij iedereen in de klas een (redelijk gelijke) beurt heeft.
  • 'Ik denk dat ik dit soort ideeën straks eens ga toepassen bij het behandelen van de tekst van de musical,' lacht een groep 8 leerkracht. 'En dan gewoon als leesles dus.'


Hoe de leerlingen te ondersteunen? Het is hierboven al ter sprake gekomen:

  • De herhaling op zichzelf is al een ondersteuning. Goede lezers worden er net zo goed beter van als zwakkere lezers. 
  • Expliciet letten op en oefenen met interpunctie, vloeiendheid en de verschillende soorten accenten (dynamische, temporeel en melodisch). Neem het eens op en beluister daarna samen. Bespreek de verschillen en geef gerichte feedback. 
  • Pas de ondersteuning die Ralfi biedt toe als leesinterventies bij theaterlezen

Steeds een ander publiek

Variatie zorgt vaak voor plezier, zeker bij kinderen. Voor de kinderen die het doen, en ook voor de kinderen die publiek zijn! Als het zoveelste theatermopje voorbij komt in je klas is de kracht er voor de toehoorders ook wel een beetje af. Denk daarom aan verschillende soorten publiek:
  • als er in de ouderkamer/ouderavond gesproken wordt over het belang van lezen/voorlezen, kun je de bijeenkomst van start laten gaan met een leesvoorstelling
  • denk aan weeksluitingen of projectweken
  • laat leerlingen in een lagere groep tonen wat ze hebben geleerd
  • of: laat het aan je team zien bij de start van een vergadering 

Waar vind ik beschikbare teksten? 

Theaterlezen is in opkomst. In de tijd dat Knuttel zich specialiseerde in deze vorm van lezen was er niet veel beschikbaar. Inmiddels is dat aan het veranderen. Via haar site kun je een overzicht van de materialen vinden die er zijn. En er is nog meer in de maak. 



Daarnaast gaf ze de tip om leerlingen die dat leuk vinden een zinvolle schrijfopdracht te geven: laat een kort verhaal te herschrijven tot een theatertekst. De verhalen van Meester Jaap lenen zich daar onder andere voor. De kunst voor de schrijvers is om de beschrijvingen in de originele tekst op te nemen in de dialoog. Hoe leuk is dat om te doen in plaats van een taalles uit de methode?!



Meer weten? Bezoek ook de facebookpagina van theaterlezen eens voor nieuwsfeiten, praktische tipsnieuwe theatermoppen en andere stimulansen.  

woensdag 25 januari 2017

Lees voor!

Goed nieuws op de dag van het Nationale Voorleesontbijt! Jongeren weten de bibliotheek steeds vaker te vinden, kopt het AD vandaag. In ons dBos-team hebben we wel een piepklein vermoeden waar die stijging van geleende jeugdboeken (mede) door veroorzaakt wordt ;) 

Aandacht voor lezen en voorlezen werkt. We merken het dagelijks. Kinderen die, nadat het boek jaren onaangeraakt in de kast heeft gestaan, Kukel van Joke van Leeuwen ontdekken. Wat er gebeurd is? Niks bijzonders. Uit de kast gehaald, laten zien in de klas, stukje voorgelezen en hup, daar ging ie de klas rond. Meesters en juffen die gereserveerd antwoorden als we in de klassen de nieuwste boeken komen promoten, want ja: de lessen en de toetsen... het programma zit zó vol. Twee snelle rondes met voorleesfragmenten verder vragen ze of we dit eigenlijk niet elke maand kunnen komen doen, 'want we zien dat kinderen boeken pakken die ze anders nooit zouden kiezen'. Of onzekere leerlingen die na een korte voorleescursus trots De kleine walvis gaan voorlezen in groep 1/2. En de kleuters die daar enorm van genieten.  




De Nationale Voorleesdagen zijn weliswaar gericht op de jongsten, maar met een beetje creativiteit wordt de hele school er vrij eenvoudig bij betrokken. Lezen en voorlezen staan in elk geval weer goed op de kaart deze dagen. En daar worden we blij van. Want we weten uit onderzoek en ervaring dat lang niet alle kinderen een warme voorleescultuur van huis uit meekrijgen. De landelijke monitor laat zien dat bijna de helft van de ondervraagden thuis nooit wordt voorgelezen. Naarmate de leeftijd vordert, daalt de frequentie van het voorlezen bij gezinnen waar dat wel gebeurde. Maar ook dan zijn er kinderen in groep 4 die nooit of weinig worden voorgelezen. 


Bron: De Monitor de Bibliotheek op school 

Bron: De Monitor de Bibliotheek op school 

Van groep 1 t/m 3 zijn deze gegevens niet bekend, maar leerkrachten weten uit gesprekken met kinderen en hun ouders dat het voorlezen thuis ook in deze groepen te wensen over laat. Ze stimuleren zich suf, want voorlezen is zo belangrijk voor de taalontwikkeling.

Bij leerlingen met een (dreigende) taalachterstand, proberen leerkrachten ouders te overtuigen om zich aan te melden bij de Voorleesexpress. Vrijwilligers komen gedurende 20 weken het voorleesritueel introduceren en voordoen. De ouders krijgen handvatten om het voorlezen zelf over te nemen en kinderen op allerlei manieren te stimuleren in hun taalontwikkeling. 

In veel gezinnen gaat dat gewoon niet vanzelf, weet Voorleesexpressvrijwilligster Tonny. Ze herinnert zich haar eerste gezin goed. Daar was het gezellig, de zesjarige Mariam stak veel nieuwe woorden op en begon de vervoegingen beetje bij beetje te begrijpen. Wel 'ik slaap en ik sliep', maar niet 'ik gaap en ik giep'. Ga er maar aan staan. Ook de moeder van Mariam raakte steeds meer betrokken bij de voorgelezen boeken en begon voorzichtig mee te praten. Tonny leerde gaandeweg wat Irakese woorden en staarde zich blind op de Arabische letters die Mariam's moeder haar liet zien. 'Phoe, als ik die taal toch eens zou moeten leren! Het vergrootte mijn begrip over hoe lastig het moest zijn om niet alleen in een totaal andere wereld geworpen te worden, maar ook nog eens zo'n onbegrijpelijke taal eigen te maken.' Tonny's inspanningen hebben in dit gezin tot kleine successen in de taalontwikkeling van Mariam en haar moeder geleid. Nu, enkele jaren later, rekent Mariam nog steeds op haar: 'Tonny... vakantie.... jij komt?' 


Na een innige samenwerking tussen Bibliotheek aan den IJssel en Voorleesexpress valt de Voorleesexpress vanaf januari 2017 niet meer onder Stichting Woordwijs, die het project tot een succes gemaakt heeft, maar onder Bibliotheek aan den IJssel. We bouwen dit succes graag uit en wensen alle kinderen een warme voorleescultuur en een leven lang (voor)leesplezier. Nieuwsgierig naar de Voorleesexpress aan den IJssel? Bekijk hier de Facebookpagina. 

woensdag 21 december 2016

Leesplezier bevorderen, hoe doe je dat?

Eens in de zoveel tijd zijn we bij Team dBos in de gelukkige omstandigheid om een boekpresentatie in Kinderboekwinkel De Kleine Kapitein bij te wonen. Mooie, nieuwe, bijzondere en populaire boeken passeren in korte tijd de revue. Het maakt ons nieuwsgierig en gretig en het is een goede manier om op de hoogte te blijven van het grote aanbod aan kinderboeken. 

Eén van de vele leuke taken binnen ons werk is dat we die boeken zelf ook weer op de scholen presenteren. Het is niet alleen leuk om anderen te vertellen over iets waar je zelf enthousiast over bent, het werkt ook! We schreven hier al vaker over. Zowel leerkrachten als leerlingen gaan na zo'n promotie met een stapeltje boeken én zin om te lezen de deur uit.  Nu en dan ontvangen we ter bevestiging van dit soort bemoedigende mailtjes: 






Wat kun je als leerkracht vrij makkelijk doen?

1. Kies elke week een ander voorleesboek 

Neem de proef eens op de som en stel het boek dat je gedurende één week hebt voorgelezen aan het eind van de week beschikbaar voor wie het uit wil lezen. Vraag die leerling eventueel om in de boekenkring te vertellen waarom dat boek inderdaad de moeite van het uitlezen waard was. Als je op deze wijze voorleest komen er in een schooljaar 40 titels langs! Kies titels waarvan je weet of denkt te weten dat er interesse voor is. Ga niet altijd voor de meest populaire titels. Die kennen ze al. Boekpromotie is bedoeld om leerlingen in aanraking te laten komen met wat ze nog niet kennen, maar waarschijnlijk wel waarderen. Zo hoorde Sasha in de klas voor het eerst over Gips van Anna Woltz en kwam na afloop een dealtje sluiten: 'Als ik beloof dat ik hem na school meteen kom halen, wilt u hem dan voor mij apart houden alstublieft?'  



2. "Show, don't tell"

Helemaal niks vertellen is niet handig, maar je hoeft niet altijd een fragment voor te lezen of te vertellen waar het verhaal over gaat. Laat boeken die zich daarvoor lenen ook vooral zien. Wijs op bijzondere vormgeving of mooie illustraties. Soms is aanvullende informatie ook al voldoende (de schrijver is wel eens op onze school geweest of woont in onze stad, of: dat en dat boek van hem of haar is verfilmd en dit is de trailer ervan op youtube).    

3. Leer kiezen

Sommige kinderen hebben moeite met kiezen. Boekentips van de leerkracht of van klasgenoten helpen. Maar zelf leren kiezen is ook nuttig. Een effectieve manier om dat te doen is deze: noem drie titels en laat de leerlingen er een kiezen die ze op basis van deze informatie het liefst zouden lezen. Laat dan het omslag zien en laat opnieuw kiezen. Is er iemand die nu een andere keuze maakt? Vertel iets meer over het verhaal (uit jezelf of vanaf de achterflap) en laat nog eens kiezen. Weer overstappers? Wat was de reden daarvoor? Dit kun je al dan niet uitbreiden met een voorleesfragment, informatie over een schrijver of een voorbereid pleidooi per boek door een van de klasgenoten. Laat benoemen wat iemand motiveert om voor het een of het andere boek te kiezen, dat kan anderen weer op weg helpen om te bepalen waar je op let bij de keuze. 


4. Geschikt voor mij? 

'Hoe weet ik nou of het niet te moeilijk is?' Strak vasthouden aan de wel of niet behaalde avi-niveau's is over het algemeen niet erg leesplezierbevorderend. Wijs je klas liever op de vijfvingerregel. Die is erg effectief. Lees een bladzijde en steek een vinger op voor elk woord dat je niet kent of niet kunt lezen. Vijf vingers of meer? Dan is het waarschijnlijk te moeilijk, maar als je flink andere boeken leest lukt het misschien over twee maanden wel.... 

Of je leest het toch! Omdat het nou eenmaal over een interessant onderwerp gaat. Dat is niet per sé een probleem. Een boek lezen dat een beetje (niet te) boven je niveau is, zorgt er juist voor dat je je vaardigheden vergroot. Zeker als je interesse gewekt was: dan wíl je het begrijpen en met een beetje hulp lukt dat ook vaak wel.  

Het is ook goed om iedereen in de school er op te wijzen dat de Makkelijk Lezen-boeken er niet alleen voor dyslecten zijn, maar dat deze boeken leuk zijn voor iedereen. Bovendien mogen leerlingen met dyslexie ook interessante titels uit de rest van de collectie kiezen! Het MLP-logo is bedoeld om te helpen, en vooral niet om te beperken.  

5. Pinterest

We verwijzen er wel vaker naar: Pinterest. De plek waar iedereen ideeën en inspiratie kan halen én brengen. Dus heb je succesjes uit je eigen lespraktijk dan horen we dat graag. We plaatsen het op dit verzamelbord en maken daar collega's op school en in de bibliotheek blij mee. Je vindt er suggesties om boeken, schrijvers of thema's op eenvoudige wijze in de schijnwerpers te zetten.



6. Klassencollectie

Zorg dat je in de klas altijd wat te ruilen bij de hand hebt. Dat is fijn voor die leerling die verkeerd gekozen (kan gebeuren) en voor wie het boek al uit heeft en nog niet naar de bieb kan. Let er bij het kiezen van zo'n collectie op dat je juist niet (alleen) de succesnummers pakt. Ga liever in op de actualiteit, iets bijzonders, een favoriet van jezelf of op een onderwerp dat leeft in je klas. 
De Losers en de Boomhutten hebben geen promotie meer nodig, die verkopen zichzelf wel. Kies dan juist een boek waarvan je denkt dat ze het nog niet kennen en dat een vergelijkbare vormgeving heeft. Toon niet alleen de buitenkant maar vooral ook de binnenkant. Het leggen van een verband met alledaags gebruik -de smartphone- is met dit levensverhaal van Steve Jobs een koud kunstje. En het wekt meteen de interesse. De stripachtige vormgeving is een extra bonus. 


Opvallende en aantrekkelijke vormgeving 
Let ook op variatie. Laat niet alleen fictie aan bod komen, non-fictie onder de aandacht brengen is juíst belangrijk. Strips, dichtbundels en prentenboeken worden vaak over het hoofd gezien. Jammer, want deze boeken hebben echt iets te bieden in de lagere én hogere groepen. Al eerder blogden we over de rijkdom van informatieboeken, strips en prentenboeken. Klassen waarin leerlingen plotseling het bestaan van theaterboeken ontdekken, merken dat dergelijke boeken voor een bepaalde periode niet aan te slepen zijn. Logisch, want wat is er nou gezelliger dan met zijn tweeën in hetzelfde boek lezen? 

7. Wees zelf enthousiast 
Het is misschien een dooddoener, maar het werkt. Als je zelf niet overtuigd bent, komt het ook niet over bij je leerlingen. De meesters en juffen die zelf graag lezen lijken vaak de meest overtuigende boekpromotors. En ook boeken die je niet kent of die je niet zo waardeert kun je toch promoten. 'Ik zie hier een nieuw boek over vrachtwagens, echt wat voor jou!' 'Voor de fantasyliefhebbers heb ik hier de nieuwste..... Wie wil het eerst?' Of vraag eens aan de klas wat er nou zo leuk is aan serie zus of zo, omdat jij het nog niet hebt ontdekt.  

woensdag 12 oktober 2016

De Blits met informatievaardigheden

'Onze leerlingen komen niet allemaal uit een gezin waar thuis een rijke leeromgeving is. Hulp van ouders is lang niet altijd een vanzelfsprekendheid en de beginsituatie qua informatievaardigheid van onze leerlingen is ook vaak niet zoals we het graag zouden willen. We moeten echt bij de basis beginnen. Hoe gaan we dat aanpakken?'

Kinderen leren informatievaardig te worden is sowieso een klus. Dat zullen veel leerkrachten beamen. Als school dan bij de bibliotheek aangeeft dat de basis niet bekend verondersteld kan worden, betekent dat vooral: praten met elkaar. Wat willen we? En wat moeten we? En hoe moet het dan? 

De bibliotheek heeft een kader bepaald waarbinnen het graag wil bewegen en de school zit met een aantal concrete en vooral praktische vragen. Tijdens verkennende gesprekken en een studieochtend zijn we op zoek gegaan naar de punten waar we elkaar kunnen versterken. Het lijkt een open deur, maar toch gaat het vaak op dit punt mis. Het standaard aanbod van de bibliotheek sluit bij voorbeeld niet aan bij wat de school nodig heeft. Of de school vraagt dingen die de bibliotheek niet kan of wil leveren. Voortdurend in gesprek blijven en zoeken naar aanknopingspunten blijkt een voorwaarde voor succes en vakmanschap op maat binnen de Bibliotheek op school

Hoe hebben we het aangepakt? 

De traditionele werkstukken moesten per direct de deur uit. 'Het wordt van internet geplukt of van broers en zussen overgeschreven en ze steken er niks van op. Ze hebben er niet eens lol in.' Maar wat dan wel? Graag deelvaardigheden aanleren in kleinere stappen en aansluitend bij iets wat we al doen. Al pratende kwamen we uit op de methode Blits waarbij we konden aansluiten met het oefenen van informatievaardigheden. De leerkracht van groep 7/8: 'Het is een methode voor studievaardigheden met kleinere en gerichte opdrachten binnen een thema. We nemen nu de stof van groep 6 door in 7/8 en dat vinden ze tegelijkertijd best pittig en heel stimulerend. Ze hebben er lol in. Deze groep beheerst de basisvaardigheden gewoon nog niet en daar kunnen we niet aan voorbij gaan.'

Samen (school en bibliotheek) besluiten we een thema te kiezen (Ridders) en te gaan experimenteren met Blits en het toevoegen van minilessen informatievaardigheden die aansluiten bij de lessen uit Blits. Er is gekozen voor de minilessen omdat de school hiermee al positieve ervaringen heeft opgedaan bij de minilessen tijdens het vrij lezen.

Een voorbeeld. In één van de Blitslessen over Ridders komt een opdracht voor die gericht is op het maken van samenvattingen. Er zijn drie teksten van 13 tot 16 zinnen en de leerlingen moeten de zinnen aankruisen waarin de hoofdzaken staan. Nadat deze les in de klas is gedaan, volgt er later die week een les waarin samenvatten weer aan bod komt. Niet uit de methode, maar als miniles. Doel er van is het geleerde in een andere setting in de praktijk te brengen. Minilessen zijn altijd gericht op boeken en verlopen volgens een vast patroon en met een bepaalde bedoeling opgezet: voorlezen, modelen, vrij lezen, reflectie. 



De leerkracht leest een fragment voor uit Ridders uit de willewete-serie. Zij kiest bewust een niet te moeilijk en aantrekkelijk boek. Ze laat op het digibord zien hoe ze samenvat: ze 'onderstreept' de hoofdzinnen. Zo komt ze al een eind als het om samenvatten gaat. Zo was de opdracht in de methode namelijk ook. Maar nu gaat ze verder: ze wil deze samenvatting namelijk overbrengen (in samengevatte vorm) aan anderen. En ze laat zien hoe ze dat in eigen woorden doet. Ze noteert steekwoorden op een blaadje. Ze haalt de oorspronkelijke tekst uit het boek weg en maakt dan hardop denkend zelf zinnen met de woorden. Als ze twijfelt kan ze na afloop even checken in de oorspronkelijke bron, maar niet meteen. Ze wil los komen van die tekst om iets in mijn eigen woorden te kunnen zeggen. 

Dit is de miniles. Nu gaan de leerlingen zelf aan de slag met hun informatieve boek over ridders. De bibliotheek voorziet in een ruime collectie fictie en non-fictiematerialen gedurende deze periode. De opdracht luidt: kies één hoofdstuk of fragment, 'onderstreep' de hoofdzaken, maak een woordveld en ga in tweetallen aan elkaar in je eigen woorden vertellen wat belangrijk is in de tekst. Oefen dit mondeling voordat je gaat schrijven. De ander kan je helpen door aan te geven wat hij of zij niet begrijpt. Zo kan jij je eigen tekst verbeteren. De les wordt afgesloten met een reflecterende vraag. Bij wie is het goed gelukt? Kon je maatje je verder helpen? Maakt eerst vertellen en dan pas schrijven het makkelijker of juist niet?  


Waarom op deze manier? 



1. Het lezen van authentieke en zelfgekozen teksten is stimulerend voor leerlingen. Sla er de Sardes Special Taal leren in authentieke contexten maar eens op na. In Kees Broekhofs artikel over vrijetijdslezen voert hij onderstaande gegevens uit het onderzoek van Suzanne Mol en Adriana Bus (Lezen loont een leven lang,  2001) op. Daaruit blijkt dat lezers aanzienlijk meer kans hebben gemiddeld of hoog te scoren op verschillende belangrijke taalgebieden. Leerlingen die veel authentieke (dus zelfgekozen in plaats van methode teksten) teksten lezen hebben daar veel profijt van. 




2. Authentieke teksten zijn nodig voor de uitbreiding van de woordenschat. In het filmpje Meer lezen, beter in taal legt Broekhof uit hoe dat werkt. 



Broekhof spreekt hier met name over fictie, maar woordenschatuitbreiding vindt ook plaats in non-fictieboeken. Bovendien biedt de eerste de fictietitel waar ik mijn hand op kon leggen inderdaad veel nieuwe woorden: zuigeling, mijn lot is bezegeld, schepsel, in het holst van de nacht, fabeltje, geklauwde poten. Deze komen allemaal voor op de eerste drie pagina's van Geronimo's Het zwaard in de steen



3. Leerlingen hebben over het algemeen veel minder ervaring met informatieve teksten dan met fictieve teksten. Dat is jammer. Non-fictie lezen heeft zeker veel waarde: een bepaald soort woordenschat wordt uitgebreid en de bekendheid met bepaalde structuur van de tekst wordt groter. Deze ervaring helpt bij zaakvakken en begrijpend lezen waar veel non-fictieteksten moeten worden gelezen.

4. Deze minilessen hebben als werkvorm veel in zich: voorlezen, boekpromotie, modeling (wat doet een ervaren lezer/informatieverwerker?), vrij lezen
en vooral ook plezier in lezen.

5. Tot slot oefenen leerlingen in kleine stappen bepaalde vaardigheden die voorwaarde zijn voor het maken van een eindproduct als een werkstuk. Ze oefenen dit niet 'droog' in een losse les, maar het maakt onderdeel uit van een thema dat centraal staat en ze kiezen binnen dat thema hun eigen teksten waardoor het een serieuze inhoudelijke opdracht wordt. Bovendien is de opdracht klein, kost deze minder tijd en is er dus meer tijd om de opdracht nog eens te herhalen. Mooi, want had je de eerste keer niet zo veel succes, dan kun je jezelf verbeteren naar feedback van de leerkracht. Je richt je op één ding en er zijn meerdere kansen op succes dan dat ene werkstuk. 

Dit is een voorbeeld van hoe team dBos aan den IJssel zoekt naar aansluiting bij het onderwijs. Natuurlijk zijn er nog veel meer deelvaardigheden dan samenvatten in eigen woorden en andersoortige informatiebronnen dan boeken. Maar dat is voor een volgende keer. Op deze school willen we niet te veel in één keer. 








donderdag 18 augustus 2016

Week van de Alfabetisering

Met de komst van velen die het Nederlands nog niet goed spreken is ook ons werk op de scholen de laatste tijd aan het veranderen. Meer en meer krijgen we vanuit de scholen de vraag naar boeken voor anderstaligen. Die markt is nog niet zo groot, maar blij zijn we wel met die vraag. Het betekent dat op scholen leesplezier voor alle leerlingen steeds meer als een vanzelfsprekendheid wordt gezien. Ook voor hen die het nog lastig hebben met de taal moet het behalve leerzaam ook plezierig zijn om een Nederlands boek te pakken. Dat geldt voor kinderen en zeker ook voor hun ouders.

Bibliotheek aan den IJssel wil deze groep taalleerders graag op allerlei praktische en aantrekkelijke manieren ondersteunen. Bij voorbeeld in het Taalcafé dat elke dinsdagochtend van 10:00 tot 11:30 uur in Capelle geopend is. Onder het genot van een Hollands bakkie en koek wordt er hard geoefend. 


Twee zussen uit Afghanistan converseren met een vrijwilliger in het Taalcafé
In januari is er een speciaal Taalpunt geopend waar iedereen met een taalvraag op weg wordt geholpen naar een taalaanbieder die bij zijn of haar vraag past. Zij worden verwezen naar cursussen in Capelle en soms in Rotterdam. Het Taalpunt wordt gerund door Taalpuntvrijwilligers en is geopend van maandag tot en met donderdag tussen 14:00 en 16:00 uur in de bibliotheek aan het Stadsplein.

Verder zie je op de bovenverdieping in onze bibliotheek dagelijks taalleerders alleen of samen met hun begeleiders vanuit Taalcoaching Capelle studeren en oefenen. Iedereen die wil kan gebruik maken van de daar aanwezige collectie Lees&Schrijf! met mooie verhalen voor volwassenen die in eenvoudig Nederlands en in niet al te dikke boeken opnieuw zijn uitgegeven. 


In de scholen zijn de activiteiten onder andere gericht op het informeren van ouders over voorlezen. Tijdens koffieochtenden in de Ouderkamers van bij voorbeeld De Catamaran vertellen we over het belang van voorlezen, laten we zien welke boeken leuk zijn en waar je op kunt letten als je een nieuw voorleesboek wilt kiezen. Somalische vaders en Turkse moeders ervaren dat er alternatieven zijn als het Nederlands nog niet zo wil vlotten. De ouderkamer van De Octopus komt later dit jaar naar de bibliotheek voor een Tabletcafé op maat. Ieder neemt zijn eigen apparaat mee en leert met behulp van ict-stagiaires hoe hij voorleesapps en luisterboeken kan downloaden. Onderwijsspecialisten en leesconsulenten tonen de mooiste voorleesapps en digitale prentenboeken zodat ouder en kind samen hun woordenschat kunnen uitbreiden terwijl ze genieten van mooie verhalen. 



In de Week van de Alfabetisering besteedt Bibliotheek aan den IJssel extra aandacht aan álle taalleerders. Dat zijn natuurlijk alle leerlingen die in Krimpen en Capelle op de basisschool zitten. Maar dat zijn ook de nieuwe landgenoten die het Nederlands willen leren en veel willen oefenen. En ook zij die geboren en getogen zijn in Nederland en die om wat voor reden dan ook het lezen en schrijven onvoldoende machtig zijn. Helaas is deze groep aanzienlijk. Helaas voor hen, moet ik zeggen. De schaamte is vaak groot, het repertoire aan smoesjes om te verbloemen wat ze onvoldoende beheersen ook. En de handicap die zij dagelijks ervaren is zeker niet minder. Bibliotheek aan den IJssel probeert met het Taalpunt, de Voorleesexpress en de Bibliotheek op school bij te dragen aan het voorkomen en bestrijden van laaggeletterdheid. 

Op maandag 5 september, de start van de landelijke Week van de Alfabetisering, trapt de bibliotheek in Krimpen af met een Taal Hightea. Deze is bedoeld voor taalcursisten en voorleesvrijwillgers. Koken gaan ze er niet doen, maar eten en praten over eten des te meer want dat is het thema van de Hightea. Simpelweg vanwege het feit dat koken, samen eten of praten over eten een informele manier blijkt om smakelijk met elkaar in gesprek te raken. Tijdens de Hightea praat en leert men op aangename wijze van elkaar. Kookboeken worden bekeken, gerechten besproken, nieuwe woorden geleerd, gerechten aangepast, bereidingswijzen vergeleken. Neem nou die oer-Hollandse pannenkoek. Ook in Syrië kennen zij die. Hij wordt alleen anders bereid en anders genuttigd.


In de aanloop naar de Internationale Dag van de Alfabetisering (8 september) organiseert de bibliotheek de jaarlijkse Elfjeswedstrijd. Deze dichtvorm is zo laagdrempelig dat het ook voor kinderen en volwassenen die net met Nederlands beginnen een haalbaar en uitdagend doel is. Zo doen er elk jaar taalleerders mee en is basisschool De Klim-Op al sinds de start van deze wedstrijd een vaste deelnemer. Geheel in stijl sluit ik af met mijn Elfje. Misschien zend ik hem wel in. Want dat kan nog tot en met 31 augustus. De prijsuitreiking volgt op 8 september. 


Meel
Wat water
Misschien iets extra’s
Dat verschilt per land
Pannenkoek






donderdag 11 augustus 2016

Tijdschriften, strips en prentenboeken

In sommige gevallen wordt door ouders en leerkrachten nog steeds minder positief gedacht over tijdschriften, strips en prentenboeken. De laatste categorie zou alleen voor de jongsten geschikt zijn en van tijdschriften en vooral strips zou je weinig opsteken, zo is de gedachte. Of op zijn minst minder dan van goede jeugdboeken. En het allerergste wat er kan gebeuren: 'ze kijken alleen maar plaatjes….'

Met bladen als 7Days, Kidsweek, Zo zit dat, National Geographic Junior en Wapiti is deze stelling voor wat betreft de tijdschriften natuurlijk eenvoudig te weerleggen: veel informatie over uiteenlopende interessante onderwerpen en/of over de actualiteit. En óf je er wat van opsteekt! Ook meteen de ‘betere’ strips maar even meenemen: geschiedenis in het algemeen, de Tweede Wereldoorlog of nog specifieker over het leven van Anne Frank? Het kan allemaal met strips. Leerzaam en dus verantwoord genoeg om door de vingers te zien. Vergis je echter niet: ook de Donald Ducks en de Kuifjes hebben hun waarde.



Enige tijd geleden was ik (helaas zonder camera) getuige van een gesprek op de gang tussen een leerling uit groep 6 en de directeur van de school. De context weet ik niet meer maar het meisje gebruikte op een bepaald moment het woord patent. ‘Weet je dan wat dat is?’ vroeg de directeur. ‘Ja, dat alleen jij iets mag maken en verkopen en niemand anders. Dan kan alleen jij er geld mee verdienen. Moet je bij de rechter aanvragen als je een uitvinding hebt gedaan.’ De directeur was zichtbaar onder de indruk: ‘En hoe weet je dat zo goed?’ vroeg ze verbaasd. ‘Oh gewoon, in de Donald Duck gelezen,’ antwoordde ze achteloos. ‘Daar staan dan best moeilijke woorden in, zeg,’ concludeerde de directeur. ‘Dat klopt wel ja,’ zei het meisje. ‘Ik weet bij voorbeeld ook dat WC een afkorting is van water closet. Ook uit de Donald Duck. Maar nu moet ik naar huis hoor juf. Dag.’


Mijn punt: strips lezen is zo slecht nog niet. Ze breiden de woordenschat van leerlingen uit om het simpele feit dat in strips (en dus óók in de Donald Duck) woorden voorkomen die niet zo veel in het dagelijks taalgebruik worden gebezigd maar wel gangbaar zijn. Het is bijzonder handig om dit soort woorden te kennen. Vooral als je bedenkt dat leesbegrip en schoolsucces voor een groot deel gebaseerd zijn op een uitgebreide woordenschat.

Strips bevatten veel van dit soort laagfrequente woorden. Ze komen in strips (53.5 keer per 1000 woorden) zelfs meer voor dan in boeken voor volwassen (52.7). Prentenboeken bevatten niet zo veel laagfrequente woorden (16.3) als strips, maar kijk eens naar het aantal laagfrequente woorden tijdens een gesprek tussen hoogopgeleiden (17.3). Prentenboeken doen hier niet veel voor onder. Lees meer hierover in Meer lezen, beter in taal of het artikel Zo boek je woordenwinst in JSW van april 2016. 

Uit: Meer lezen, beter in taal 

En dat prentenboeken alleen voor jongere kinderen aantrekkelijk zouden zijn is ook een misvatting. Want zeg nou zelf, onderstaande suggesties zijn ook nog de moeite waard als je de kleuterjaren ontgroeid bent. Geloof je het niet? Try it and you know it! 






dinsdag 17 mei 2016

Het lijkt zo simpel


De eeuwige vergelijking met het werk van Karel Appel. Je ziet het iemand doen en je denkt: ‘Dat kan ik ook!’ Dat overkwam ook Paula (4/5) van de Catamaran: ‘Ik zie wat jij met jouw boeken en mijn leerlingen doet en dan denk ik: o ja, logisch. Maar ik bedenk het zelf niet. Jij kiest een andere invalshoek.’

Naast logisch is de uitvoering van een miniles ook eenvoudig voor iemand die didactisch onderlegd is. En steeds meer leerkrachten binnen ons werkgebied komen er mee in aanraking en raken hier van overtuigd. Marijke (3) van de Catamaran: ‘De kinderen worden er actiever en alerter van. Er is meer enthousiasme en door de manier waarop je bepaalde dingen vraagt, lezen en luisteren ze gerichter.’  Ook Linda (5/6) van de Wegwijzer ervaart er de voordelen van. ‘Ik vond beide lessen die je gegeven hebt erg leuk én zinvol. De les over het vinden van informatie over de hoofdpersoon was nuttig omdat de kinderen hier vaak over heen lezen. Ze vinden het vaak niet nuttig om dit soort details op te slaan. En het is leuk om te zien dat de kinderen merken dat lezen je slimmer maakt als je actief leest en niet alle woorden negeert die je moeilijk vindt.’

Miniles over het hoofdpersonage en wat je van hem weet

Het geheim? De opbouw is simpel en het effect groot. Wie echt uitgebreide informatie wil, slaat er Theart of teaching reading van Calkins of Powerreading workshops van Candler eens op na. Want bij Bibliotheek aan den IJssel hebben we dit heus niet allemaal zelf verzonnen. Wel hebben we een werkwijze gevonden die gebaseerd is op het werk van deze dames en die past bij ons dBos-team en onze dBos-scholen.


De opbouw

Deze verloopt volgens een eenvoudig en vast patroon: voorlezen, zelf lezen met een opdracht en tenslotte een afsluiting.
Tijdens het voorlezen model je als leerkracht een vaardigheid die je onder de aandacht van je leerlingen wilt brengen. Dat kan van alles zijn. Het varieert van ‘het kiezen van een passend boek’  tot het toepassen van de strategieën van Nieuwsbegrip,  het oefenen van leestechniek of het uitbreiden van de woordenschat. Het idee is dat je als leerkracht en ervaren lezer laat zien wat goede lezers dóén als ze lezen. Welke strategieën zij toepassen, waar ze over nadenken en wat ze zich voorstellen terwijl zij lezen. En nadat je dat gemodeld hebt geef je leerlingen de opdracht je voorbeeld te volgens tijdens het lezen in een boek dat zij zelf gekozen hebben. De leesopdracht is er op gericht leerlingen bewust te maken van hun eigen denken tijdens het lezen. Het gaat er niet om dat zij veel of correcte antwoorden produceren, het gaat er om dat zij oefenen met het toepassen van strategieën van goede lezers om zo zelf hun eigen leesvaardigheid te verbeteren.
Na enige tijd wordt de les centraal afgesloten met enkele vragen. Dit zijn geen controlevragen, maar meer reflectieve vragen. Bij wie is het gelukt? Wie heeft iets leuks ontdekt? Wat vond je moeilijk/leuk? Ging het deze keer al beter dan de vorige keer? Wanneer zou je dit nog meer kunnen toepassen? Kon iemand je goed op weg helpen?
Miniles over sprookjes en hun kenmerken

Het effect

Met een miniles valt veel te bereiken. In 45 minuten besteed je aandacht aan voorlezen, aan boekpromotie, aan vrij lezen en -afhankelijk van de gemodelde vaardigheid- ook aan leestechniek of leesbegrip. Veel vliegen in een klap.
Het voorlezen geeft je de gelegenheid om volop aan boekpromotie te doen: kies boeken, schrijvers en genres die de leerlingen nog niet zo goed kennen en waarvan je vermoedt dat ze het zullen waarderen. Doe dit zo gevarieerd mogelijk. Vertel waarom het leuk, interessant of spannend is. Leerlingen breiden hun titelkennis en voorkeuren uit en proberen eens andere genres, schrijvers of series. Tegelijkertijd zien ze hun leerkracht op verschillende manieren een boek presenteren (kijk hier voor verzamelde ideeën), wat hen kan inspireren hun eigen presentaties levendiger en creatiever te maken.  
Het zelf lezen met een leesopdracht levert mogelijkheden op om vaardigheden die geleerd zijn in de techniek- of begripslessen toe te passen tijdens het lezen van zelf gekozen teksten. Dat is om twee redenen waardevol. Ten eerste omdat een zelf gekozen tekst bijna altijd met meer plezier gelezen wordt dan een tekst uit een methodeboek. De wil om er iets van op te steken is er al: je hebt zin in dit verhaal of je bent geïnteresseerd in dit onderwerp, want je hebt het zelf uit de kast gepakt. Daarnaast is het zo dat vele leerkrachten aangeven dat de strategieën die worden aangeleerd tijdens begripslessen zo weinig worden toegepast tijdens het lezen van bij voorbeeld zaakvakteksten of informatieve teksten. Er is weinig sprake van transfer. Alsof verschillende soorten lessen en verschillende soorten teksten voor leerlingen compleet gescheiden domeinen vormen die een volledig andere aanpak vragen. Tijdens zo’n miniles echter krijgen leerlingen expliciet de opdracht en de gelegenheid om deze transfer te oefenen. Ze krijgen een heel concrete opmerking mee: ‘Dat wat we eerder deze week bij Nieuwsbegrip leerden, geldt ook als we een informatief boek voor ons plezier lezen. Wat doe je als je nieuwe woorden tegenkomt? Je hoeft nu weliswaar geen vragen uit de les te beantwoorden, maar het is toch handig en veel leuker als je de woorden snapt die gebruikt worden dit mooi geïllustreerde boek over vissen en zeedieren.’  Vanwege de intrinsieke motivatie om te lezen is het ook van belang dat leerlingen de leesopdracht uitvoeren tijdens het lezen in een zelfgekozen boek.

Toepassen van de vijf-vinger-regel
Tijdens de afsluiting is er geen controle op wát ze gelezen hebben maar wordt er teruggeblikt op hóé ze gelezen hebben. Ze formuleren hardop denkend hoe het is gegaan, krijgen reacties van klasgenoten, kunnen iets bevestigen of juist niet en leren al doende formuleren wat ze precies willen zeggen. Of waar ze de volgende keer op willen letten.
Bijkomend voordeel van deze minilessen voor de leerkracht zelf is volgens Paula dat ze de collectie beter leert kennen en daardoor haar leerlingen ook beter kan adviseren. ‘Doordat ik tijdens de gesprekjes stukjes met de leerlingen meelees, gaan de boeken meer door mijn handen en kom ik vanzelf weer op nieuwe ideeën voor lessen. Ik zie teksten voorbij komen die heel geschikt zijn om bepaalde lessen uit Veilig Leren Lezen mee te oefenen. Uit een echt boek is dat oefenen natuurlijk veel leuker dan uit een lesboekje.’

Miniles over het kiezen van een passend boek 

Verloop

Tijdens het lezen, waarbij de leerlingen proberen de leesopdracht uit te voeren, loopt de leerkracht langs bij leerlingen. Hij (meestal zij)  zorgt dat hij elke leerling af en toe eens ziet. Dat houdt hij bij in een eenvoudig overzicht. De leerkracht en de leerling hebben een kort gesprekje over wat de leerling leest en vaak valt er iets op. Er zijn leerlingen bij wie de techniek beter kan, bij de ander mag vooral aan leesbegrip aandacht worden besteed. Veel leerkrachten constateren dat sommige leerlingen te vaak verkeerd kiezen of niet tot serieus lezen zijn aan te sporen om allerlei redenen. Vanmorgen merkte ik bij voorbeeld dat J. uit de klas van Corine (5/6) van de Loser-boeken alleen de tekst bij de cartoons leest en de rest van het boek overslaat. ‘Want dat vind ik het leukste!’ Zo’n opmerking vraagt om een gesprekje en een notitie. Ik probeer te achterhalen of deze houding consequent is of eenmalig is en aan dit type boeken kleeft. De korte notities helpen de leerkracht om te weten wat er de laatste keer besproken is. Als tijdens rapportgesprekken met ouders de leesresultaten van hun kind ter sprake komen, heeft de leerkracht ook een aantal notities die iets heel concreets zeggen over het leesgedrag van hun kind (en de interventies die zijn toegepast).

Leerkrachten

Ik hoor leerkrachten wel eens denken (en zeggen) dat het bepaald geen eenvoudige opdrachten zijn. Zo gaf ik in groep 3 een miniles over ‘nieuwe woorden’. Marjolijn vertelde me vooraf haar twijfel: ‘Het idee is goed, de strategieën krijgen ze vanaf volgend jaar ook aangeleerd bij Nieuwsbegrip. Maar weet je, het technische niveau in deze klas is te vaak ontoereikend om deze boekjes aan te kunnen. Slaan we dan niet de plank mis?’ We wilden het na overleg toch proberen. Eerlijk gezegd vond ik het ook wel een spannende, want inderdaad, bij sommige leerlingen ging het verklanken nog best moeizaam. Gewapend met een stapel Kijkdoosboeken en Informatie Juniors werd de les toch een succes. In een Junior Informatieboekje over treinen kwam al in de tweede zin het woord stoomtrein voor. Was dat even een mooi voorbeeld om in tweeën te hakken en te zien of we er zo achter konden komen. Stoom bleef nog even onduidelijk, maar trein was meteen helder. Met vier jongens zaten ze over de pagina’s gebogen. Een slimmerik keek ook goed naar het plaatje en concludeerde: ‘Die rook is de stoom! Een stoomtrein is zo’n oude trein waar rook uit komt. Kijk het staat er ook boven. Dit is vroeger en die andere bladzijde is van nu.’ Ik vroeg wat dan het volgende nieuwe woord – locomotief- zou zijn. Iemand een idee? Niet meteen. Maar na een stukje verder lezen, waren we er snel achter: die trekt de trein. Dus die rijdt voorop. Die op het plaatje is dus de locomotief.’ Moeilijk? Best wel. Leuk? Heel erg. Leerzaam? Nou en of.


Ook Laura (3) van de Octopus ondervond zo iets: ‘Ik ben zo trots op mijn klas. Moet je zien hoe ze in een denkproces zitten. Ze overleggen met elkaar en de één laat aan de ander zien hoe ze wel iets kunnen vinden in de tekst of in de plaatjes.’ Voor sommigen is het nog wel een beetje moeilijk maar daar pas je de opdracht aan. Het gaat niet om goed of fout. Het gaat er om dat denkproces op gang te krijgen. Als je dat regelmatig doet en ze een beetje wennen aan deze manier van lesgeven, gaan er kwartjes vallen. Bij de een eerder dan bij de ander.

Na twee of drie lessen hebben we ook altijd een nagesprek met de leerkrachten. Wat vonden zeer van? Zien zichzelf dit ook doen? Levert het de leerlingen iets op? Paula: ‘Ik zou wel een overzicht willen van wat voor soort minilessen je allemaal kan geven. En wat voor soort werkvormen je er voor kunt gebruiken. Ik zou dit niet bij elke les gebruiken maar wel vaak willen inzetten.’ Haar collega Leonie (4/5) tijdens een voorgesprek: ‘Het is nu al inspirerend. En ik wil er dan ook altijd meteen mee aan de slag als ik jou zoiets hoor vertellen. Maar voor ik tijd heb om even na te denken hoe ik dat ga aanpakken ben ik de helft al weer vergeten. Wil je dit volgend jaar ook met mijn nieuwe groep komen doen? Het is zo fijn als er iets blijvends is voor de hele school. Dat jij ons een aantal basisideeën geeft die we zelf verder kunnen uitbreiden.’ Linda: Ik zal deze lessen zeker herhalen in een andere groep en/of uitbreiden in deze groep.’


Het lijkt zo simpel. En dat is het ook.